WAS, en de WAS-proef

Regels omtrent inhouding voor huur en zorgverzekeringspremie


- Inhouding voor huur:
De inhouding betreffende de huisvesting mag niet meer bedragen dan 25% van het voor de werknemer geldende minimumloon.
Bij een werknemer die fulltime werkt en het volledige minimumloon verdient (in de tweede helft van 2018: € 1.594,20), mag de werkgever per maand maximaal € 398,55 inhouden en rechtstreeks betalen aan de verhuurder en nutsbedrijven.

Voor parttimers werkt dat anders. Stel dat een werknemer 18 uur per week werkt in een organisatie waar een fulltime werkweek 36 uur bedraagt. Zijn werkgever mag dan voor hem nog maar € 199,27 (25% van € 797,10) inhouden. Als beide werknemers per maand € 250 aan huur moeten betalen, mag de werkgever dat in 2018 dus voor de fulltime werkgever wél rechtstreeks betalen, maar voor de parttimer niet.

Verder moet aan de volgende vereisten worden voldaan:

· De werkgever moet een schriftelijke volmacht van de werknemer hebben;

· Het moet handelen om een in de Woningwet toegelaten instelling die verhuurt, of een gecertificeerde verhuurder;

· De werkgever dient te beschikken over een afschrift van de huurovereenkomst.

· De werkgever dient te beschikken over een afschrift van de polis;

· De kosten van huisvesting mogen niet worden ingehouden als het om een binnen de EU gedetacheerde werknemer gaat.

- Inhouding voor de zorgverzekeringspremie:
De maximaal in te houden premie voor de Zorgverzekeringswet is de gemiddeld geraamde nominale premie (dit bedrag wordt jaarlijks vastgesteld, in 2018 is dit € 1.371 op jaarbasis). Het meerdere van de premie kan dus niet ingehouden worden op het minimumloon.